Bootbewoners van Amsterdam

Nooit nooit nooit meer aan de wal

Het begint zo: in 2006 kocht ik een boot om op te wonen. Hij moest alleen nog worden ingetimmerd. Dus ging ik boeken over boten zoeken. Zowel technisch: ‘hoe doe je dat eigenlijk, een stalen schip isoleren?’ Als wat design betreft.

Ik vond vooral (prachtige) Amerikaanse design boeken en een handjevol historische werken, verder niks.

Later zocht ik ook een boek over bootbewoners. Ik kende er behoorlijk wat en het waren bijzondere mensen, met vaak prachtige schepen en dito verhalen.

Er was geen boek. Tenminste, niet over Nederlandse bootbewoners.

Dus toen wilde ik dat gaan maken.

Ik vroeg Hollandse Hoogte fotograaf Friso Spoelstra of hij mee wilde doen en samen begonnen we aan de lange weg van financiering zoeken, een uitgever vinden en het uiteindelijk realiseren van het boek.

Er was één ding dat niet veranderde: het plan om portretten in beeld en taal te maken van de bootbewoners van Amsterdam met als werktitel ‘de stem van het water.’

En wat nóg mooier is: het uiteindelijke resultaat is minstens zo mooi als ik het me had voorgesteld. En zó vaak gebeurt dat niet.

We bezochten twee jaar lang meer dan honderd bootbewoners. Immer op zoek naar die speciale band met het water, de bijzonderheden van hun waterhuis. Veelsoortige mensen, met en zonder kinderen, in alle hoeken van Amsterdam.

Nu ligt er een boek in het Engels en een boek in het Nederlands.

Als cadeautje, als parel in de boekenkast, als souvenir.

We hopen dat wie het boek leest en bekijkt net zo blij wordt als wij. Dat iedereen ziet: zó is dat dus, leven op het water. En ook (stel ik me zo voor), dat iedereen denkt: Wow, dat waterleven. Er is niet veel mooiers.

Jowi Schmitz
Friso Spoelstra

Koop het boek in de webwinkel of bij de betere boekhandel.

Contact? Dat kan via nooitmeeraandewal@gmail.com.

Aandacht voor het boek

27/3: Metro heeft een mooie recensie geplaatst.

25/3: Jowi was te gast bij Studio Max en mocht vertellen over Nooit nooit nooit meer aan de wal.

‘In de zomer als een prins en in de winter als een rat’

Paul Spoek

ROEPING

‘In de zomer is het hier geweldig en woon ik op de mooiste plek van de stad aan de zonnige kant van een doodlopend grachtje in het centrum. Dan komt er genoeg stroom uit mijn zonnepanelen om de stofzuiger te gebruiken en hang ik de dompelpomp in de gracht en spuit alles schoon. In de winter is het andere koek. Een oude stalen boot is moeilijk warm te krijgen, want onbeschut van alle kanten. Verder vraag ik me wel eens af tot op welke leeftijd ik nog over de gangboorden wil kruipen met krabber, staalborstel en verfkwast.’

Als iemand de harde kant van het waterwonen kent is het wel Paul Spoek (1952). Sinds 1974 woont hij op zijn woonschip in de Achtergracht, vlakbij de Amstel. Hij heeft het vijfentwintig jaar zonder stromend water gedaan en doet het nog steeds zonder functionerende wc en douche. Zijn houtkachel gaat zelden aan, ook al is het behoorlijk koud buiten.

Paul woont inmiddels bijna veertig jaar op het water, maar zijn roeping was het nooit. ‘Je komt er door toeval terecht en gaandeweg raak je gespecialiseerd.’

Spoek weet van gesprongen klinknagels, van lekken, hozen, noodreparaties en dweilen. En soms – vaker dan je denkt, benadrukt hij – is de situatie precies andersom: dan staan de souterrains van de huizen aan de overkant onder water en zit hij lekker droog.

‘Mensen denken wel dat wonen in een boot zo ontzettend anders is, maar het ligt best dicht bij elkaar.’ Het punt is, zegt Spoek, dat je op een onderhoudsintensieve boot als de zijne, zelfs in de zomer, privé heel weinig mooi weer overhoudt. Als de zon schijnt wil hij het liefst met de buren op de stoep een glas wijn drinken, maar juist dan moet hij in de weer met krabber, staalborstel, schuurpapier, lak en verf. Hij laat de kont van het schip zien: de oude roef blijkt op vele plekken ontzet en doorgeroest. De roest wist hij te stoppen met menie, doek en zinkplaat. ‘Als ik tijd en geld heb’, zegt hij, ‘ga ik de roef helemaal restaureren.’ Ook is het dak nog lang niet klaar. En de ingang, daar moet je nu gebukt naar binnen. Spoek heeft de oplossing al bedacht: iets met een handige klep. Het moet alleen nog worden gedaan.

De jongens van de Kom

Zev en Yanick

BOOTKINDEREN

Zev Klarenbeek (6) hangt half in het water, zijn linkerhand klemt zich nog aan het trapje van de buurboot. Hij zegt: ‘Nu moet ik nog loslaten.’ En dan doet hij het. Vriendje Yanick (6) staat er in zwembroek bij te juichen, diens broer Oliver (4) en de tweeling Floyd (3) en Ravi (3) drommen in hun zwemvestjes samen op het vlot, vol bewondering voor broer Zev met zijn eerste zwemdiploma.

‘De jongens van de Kom’ wordt het vijftal wel genoemd. Het zijn allemaal bootkinderen die opgroeien in ‘de Kom’ bij de Amsterdamse Brug waar ruim dertig arken en schepen liggen. Zev woonde eerst met zijn broertjes en zijn vader en moeder in een Hasselter Aak, maar nu in de Spits van de buren die behoorlijk wat groter is. Yanick woont met Oliver in een ark een stukje verderop.

‘Nu kunnen we naar elkaar toe zwemmen!’ roept Yanick en springt achter Zev aan. Zev knikt en concentreert zich op zijn schoolslag.

Eerder konden ze al naar elkaar toe varen. Yanick heeft een roeibootje, Zev een indianenkano met handpeddel. Toen nog met zwemvesten aan.

‘Misschien is het wel juíst een gezonde angst en respect voor de kracht van het water die bootkinderen van walkinderen onderscheidt’, zegt Zevs moeder Leo Wentink. ‘Nu heeft Zev zijn diploma en durft hij alles, maar voor die tijd hield hij vaak mijn hand vast als we over de loopbrug gingen. En terecht. Je moet je bewust zijn van het gevaar.’

Bootkinderen zijn anders, dat vinden Zev en Yanick zelf ook. Ze weten meer van water, ze weten meer van waterdieren, ze weten meer van de lucht, want die kunnen ze in de Kom goed zien. In de stad zie je vooral huizen. Yanick heeft een zwanenfamilie die naast hun vlot een nest bouwt. ‘De kleintjes zijn heel lief, maar zwanen kunnen heel boos worden, dus je moet wel oppassen.’ Zev: ‘Dan moet je gewoon rustig blijven staan.’

‘Dit wás me toch een rotbuurt’

MARIA CATHARINA (RIET) KAT & ANTONIO (TONY) GIANNATTASIO

BEROEMD

Eten en familie, daar draait het om bij de familie Giannattasio. Tijdens het gesprek komen heerlijke inktvisringen op tafel, met een veel beter korstje dan in welk restaurant dan ook. Er is zelfs sprake van een familiegeheim: het recept van de Giannattasio-pastasaus wordt goed bewaakt. De van oorsprong Italiaanse Tony Giannattasio (1942) is streng: alleen een echte Giannattasio wordt ingewijd en dan eigenlijk pas vanaf twaalf jaar oud.

Uitzondering op de regel is de kleine Valentina, een van de zes kleinkinderen. Zij mocht het recept al eerder weten, maar dat was omdat ze meedeed met een televisieprogramma waarin odes aan families worden gebracht, Het Familieportret. Riet Giannattasio (1948): ‘De vrouw die het presenteerde zei na afloop: ‘Het is dat ik zelf een fijne familie heb, anders zou ik vragen of jullie me willen adopteren.’

Al vijfenveertig jaar wonen Riet en Tony vlakbij de plek waar het pontje aanlegt. Tegenover de oudste kroeg van Noord: Ot en Sien. Hun ark is beroemd. Het is een prachtige witte ark, omgeven door een bloemenzee en een pergola met een rij tuinbeelden: niet alleen kabouters, ook een pinguïn en meeuwen. Riet: ‘Maar ze kennen ons plekkie vooral omdat het hier altijd gratis parkeren was. Nu mag je er nog maar twee uur staan, vroeger keek je soms weken tegen hetzelfde busje aan. Laatst waren we voor ons vijfenveertigjarig huwelijk in Limburg: kenden ze onze plek daar ook!’

Alle foto's op deze website zijn van Friso Spoelstra. Ze mogen niet zomaar gebruikt worden. Wil je een foto gebruiken voor een publicatie op internet of ergens anders? Neem dan contact op via nooitmeeraandewal@gmail.com.